Marc van der Sterren

Een krimp van de veestapel is ook beter voor boeren

Als we naar het welzijn van de burger en de boer kijken, dan moet het aantal dieren gewoon omlaag. Maar voor de economie kunnen er niet genoeg beesten zijn.

 

Een ingekorte versie van deze opinie stond op 28 februari 2018 in Dagblad de Limburger

Ik zal Krimp veestapel is beter voor boerengeen grapjes maken over de namen van Oene Oenema. Maar de verleiding is groot wanneer hij stelt dat de kosten in de landbouw omlaag moeten “omdat die vooral voor de varkenshouderij vaak te hoog zijn om nog een goede boterham te verdienen.” Het grote probleem in de landbouw is niet dat de kosten te hoog zijn, het zijn juist de opbrengsten die tekort schieten. Als professor aan Wageningen Universiteit zou Oenema dat toch moeten weten.

Hij werd aangehaald in het artikel in De Limburg over het mestoverschot. 76 miljard kilo mest schijt de Nederlandse veestapel per jaar. Kosten voor de varkenshouder om dat fatsoenlijk weg te zetten: gemiddeld 60.000 euro per jaar.

Het overkoepelende probleem is dus gewoon dat er teveel mest is. En niet zo’n beetje ook. Dat dit de boer geld kost, is slechts één deelprobleem.

Een ander deelprobleem is bijvoorbeeld de herkomst van de mineralen in de mest die hier een overschot veroorzaken. Het teveel aan stikstof en fosfaat heeft immers een oorsprong. Het voer dat ons vee binnenkrijgt bestaat voor een belangrijk deel uit soja. Om precies te zijn: Voor alle varkens, koeien en pluimvee in Nederland, wordt jaarlijks 1,8 miljard kilo soja geïmporteerd. Deze komt uit landen als Brazilië en Argentinië waar tropisch oerwoud wordt omgelegd voor deze lucratieve business en waar de inheemse bevolking met geweld van hun land wordt verdreven. Zo wordt met Nederlands belastinggeld de infrastructuur gesubsidieerd om de Amazone te ontsluiten.

Ander probleem is het aanzien van de boer bij de burger. De burger wil helemaal geen mestfabrieken. De burger snapt niet waarom boeren in Nederland zo ontiegelijk veel dieren moeten houden.

‘Je moet goed weten, wij boeren zorgen voor eten’, zegt de boer. En hij heeft gelijk. Vooral de Nederlandse boer zorgt voor héél véél eten. Alleen is dit voedsel nauwelijks bestemd voor de Nederlandse consument. We exporteren maar liefst 80 procent van alle landbouwproducten. Ons kikkerlandje is de tweede landbouwexporteur ter wereld. Met Europese subsidie dumpen we melkpoeder en kip in West-Afrika. Maar van het voedsel in onze supermarkt komt amper 20 procent uit Nederland.

 

De oplossing is dus vrij eenvoudig: minder dieren. We kunnen er haast niet omheen. Vraag je het de boer, dan zegt hij: ‘Ik wil best minder dieren. Als mijn inkomen maar hetzelfde blijft.’

Maar nee: dat kan niet in ons voedselsysteem. Volgens de huidige mores moet de boer produceren tegen zo laag mogelijke kosten. Niet zelden moet er geld bij. Dat houden boeren niet vol. Per dag stoppen er gemiddeld zes boeren. Het aantal boeren is gehalveerd. Van de 100.000 fulltime boeren in 1990 hebben we er nog 50.000 over. En dat terwijl het aantal dieren in Nederland niet wezenlijk verandert.

 

Omdat hun inkomen zo laag is, worden boeren gedwongen om de kostprijs te drukken. En de kostprijs is het gemakkelijkst te verlagen door meer dieren te gaan houden. Vooral in onze BV Nederland, waar banken alleen grootschalige bedrijven financieren en waar de overheid boeren stimuleert met fiscaal beleid en subsidies om te groeien. Hoe groter je bedrijf, hoe meer subsidie.

 

In het huidige destructieve voedselsysteem ageren boeren fel tegen het verminderen van dieren. De grote bedrijven willen juist uitbreiden. En de kleine bedrijven weten dat zij als eerste omvallen wanneer het aantal dieren wordt verminderd.

We moeten dus naar een compleet ander voedselsysteem. Een systeem dat aansluit op de rest van de maatschappij. Een systeem waarbij rekening wordt gehouden met andere factoren, zoals boeren en andere bewoners van het platteland, de gezondheidszorg,

We moeten dus naar een andere voedselpolitiek waarin ruimte is voor de kleinschalige boer. Een systeem waar de focus niet meer ligt bij zo goedkoop mogelijk voedsel, maar op het welzijn van de burger. Dit betekent: lokale voedselsystemen. Want de burger heeft geen hekel aan boeren. De burger heeft een hekel aan teveel dieren, aan megastallen en aan grote, stinkende mestfabrieken.

 

Maar natuurlijk zie ik het helemaal verkeerd. Ik maak een grote fout in mijn betoog. Ik kijk immers naar het welzijn van de boer en de burger en heb geen oog voor onze economie.

Volgens de politiek en de marktpartijen die de dienst uitmaken in de BV Nederland draait hebben we juist een geweldig voedselsysteem. We moeten er trots op zijn dat Nederland een agrarische grootmacht is. Nederland is een koploper in de landbouw, ook op het vlak van innovaties.

Het is daarom dat de Nederlandse overheden megastallen steunen. Nederland is de wereldwijde kraamkamer voor landbouwinnovaties. Ons platteland is de etalage. China, Saudi-Arabië en Rusland, kom kijken naar onze geweldige innovatieve en technologische landbouw! En naar onze nieuwe mestfabrieken in onze provincie Limburg.

Het verwerken van al die mest kost de boer een jaarsalaris. Of dat bedrag nu toe- of afneemt, zal de BV Nederland een rotzorg zijn. Dat zijn peanuts vergeleken bij een landbouwexport van 90 miljard.

 

Marc van der Sterren is agrarisch journalist

 

Een reactie plaatsen